Uitvoering veiligheidskasten volgens EN-14470-2
![home01[2].jpg](/image/t35678abcfhjlqsw/home01%5B2%5D.jpg)
Een brandwerende veiligheidsopslagkast voor gasflessen onder druk, moet volgens EN-14470-2 als volgt zijn uitgevoerd.
1. Het interieur van de brandveiligheids-opslagkast voor gasflessen moet geschikt zijn voor een veilige opstelling van de op te stellen gasflessen. Gasflessen moeten tegen omvallen zijn beveiligd met behulp van een ketting of spanband.
2. Voor het aanbrengen van reduceerventielen en afsluiters dient in de kast een voorziening te zijn aangebracht om deze op een degelijke wijze te monteren.
3. De deuren van een brandveiligheids-opslagkast voor gasflessen moeten met behulp van een slot afsluitbaar zijn tegen onbevoegd openen. De deuren moeten altijd gesloten zijn. Alleen bij het inregelen, het plaatsen en uitnemen van gasflessen mogen de deuren worden geopend.
4. De brandveiligheids-opslagkast voor gasflessen moet van een lucht aan- en afvoer opening zijn voorzien. De afvoeropening moet bij brandbare, agressieve en zeer giftige stoffen zijn aangesloten op een mechanisch ventilatiesysteem dat uitblaast in de buitenlucht (atmosfeer).Bij opstelling van inerte gassen is geen mechanisch afzuigsysteem noodzakelijk.
5. Bij een gesloten veiligheidskast moet bij opstelling van brandbare gassen een ventilatie van tenminste tienmaal het inwendige volume per uur mogelijk zijn. Bij opstelling van agressieve en zeer giftige gassen moet een ventilatie van tenminste 120 maal het inwendige volume per uur mogelijk zijn. De tegendruk mag niet groter zijn dan 150 Pa (1,5 mBar). De instroomsnelheid van de lucht moet minstens 0,2 m/ sec bedragen.
6. De ventilatieopeningen moeten zo zijn aangebracht dat de luchtdoorlaat niet door in de kast geplaatste flessen kan worden verkleind of nadelig wordt beïnvloed. En dat een gelijkmatige ventilatie van de gehele kast door een geïntegreerde afzuiging wordt gewaarborgd.
7. De aan- en afzuigopeningen dienen bij een temperatuur van maximaal 70° automatisch te sluiten.
8. Het plaatsen en uitnemen van gasflessen moet veilig kunnen worden uitgevoerd. Bijvoorbeeld door een lage sokkel in de deuropening of door een oprijplaat die met een flessenkar bereidbaar is.
9. Voor de doorvoer van leidingen in plafond of wand dienen geschikte doorvoering aangebracht te zijn. Niet gebruikte doorvoeringen moeten brandwerend zijn afgedicht. De doorvoeringen mogen geen nadelige invloed hebben op de brandwerende eigenschappen van de kast. Maximaal mogen drie leidingdoorvoeren per cilinder worden aangebracht met een diameter van maximaal 10 mm.
Terug naar <Gasflessenkasten>


