NPR 7910-1

home01[2].jpg

De Nederlandse praktijkrichtlijn NPR 7910-1 is gebaseerd op de norm NEN-EN-IEC 60079-10.
Basis is de risico inventarisatie. Als hieruit blijkt dat er bij normale bedrijfsvoering explosieve atmosferen van gasmengsels kunnen voorkomen, moeten de gebieden waar deze atmosferen kunnen heersen, worden ingedeeld in zogenaamde gevarenzones. Afhankelijk van het soort stoffen, de hoeveelheden en aanwezigheidsduur zijn de volgende zones te onderscheiden:

 

Zone 0:
Ontplofbare atmosfeer tijdens normaal bedrijf
voortdurend of gedurende lange tijd meer dan
1.000 uur per jaar vrijkomt;

Zone 1
Kans op de aanwezigheid van een ontplofbare atmosfeer tijdens normaal bedrijf tussen 10 en 1.000 uur per jaar regelmatig of incidenteel vrijkomt;

Zone 2
Kans op de aanwezigheid van een ontplofbare atmosfeer gering is en waar het vrijkomen van een ontplofbare atmosfeer tijdens normaal bedrijf niet waarschijnlijk is, in elk geval minderdan 10 uur per jaar.

NGG
Geacht wordt voor te komen in zodanige mate dat speciale voorzieningen ten aanzien van ontstekingsbronnen nodig zijn (niet-gevaarlijk gebied)

AG
Een afwijkend gebied waarbinnen ten gevolge van secondaire gevarenbronnen een ntplofbare atmosfeer kan voorkomen maar waar het
door de noodzakelijke en onvermijdelijke anwezigheid van één of meer ontstekingsbronnen
niet zinvol is om in te delen.

Voor de vraag of indelingsplicht noodzakelijk is maakt
de NPR 7910-1 een indeling in soorten stoffen:

 - Gassen
- Tot vloeistof verdichte gassen
- Brandbare vloeistoffen K0, K1, K2, K3, K4
                                                                             

               

Ventilatie volgens NPR 7910-1
De tijdsduur dat een gebied met ontplofbare atmosfeer om een gevarenbron bestaat is niet alleen afhankelijk van de tijd gedurende welke de gevarenbron werkt, maar ook de wijze waarop de vrijgekomen brandbare stof in de atmosfeer wordt verdund en uit de omgeving van de gevarenbron wordt afgevoerd. Deze verdunning en afvoer wordt bewerkstelligd door ventilatie.

Buitenluchtomstandigheden:
Luchtverversing in de open lucht, zonder mechanische hulpmiddelen zijn de luchtsnelheden meestal > 2 m/s en zelden lager dan 0,5 m/s en zijn er geen hinderende obstakels aanwezig.

Belemerende buitenluchtomstandigheden: Luchtverversing in de open lucht, zonder mechanische hulpmiddelen zijn de luchtsnelheden meestal < 2 m/s en soms lager dan 0,5 m/s en er mogelijk hinderende obstakels aanwezig zijn.

Beperkte ventilatie:
Ventilatieomstandigheden binnen een gebouw of besloten ruimte, waarbij zonder mechanische hulpmiddelen een luchtverversing wordt gewaarborgd van ten minste 5x per uur.

Geen ventilatie:
Ventilatieomstandigheden binnen een gebouw of besloten ruimte waarbij de luchtverversing van 5x per uur niet is gewaarborgd.

Kunstmatige ruimtelijke ventilatie:
Ruimte ventilatie middels mechanische hulpmiddelen met een zodanige capaciteit dat de gemiddelde concentratie aan brandbare gassen in de ruimte niet hoger wordt dan een veilige waarde ten opzichte van de onderste explosiegrens (LEL) en die zodanig is uitgevoerd dat er geen “dode hoeken” bestaan.

Kunstmatige plaatselijke ventilatie:
Luchtverversing ter plaatse van en specifiek voor een bepaalde gevarenbron.

De ventilatiecapaciteit is zo groot dat de concentratie van brandbare gassen in de luchtafvoer 10% van de onderste explosiegrens (LEL) niet kan overschrijden.

Ventilatie volgens NPR 7910-1 bijbrandveiligheidskasten.
Wanneer er geen kunstmatige ventilatie wordt toegepast kan een 5-voudige luchtverversing per uur niet worden gewaarborgd. De kast ‘slechts’ met een ventilatiekanaal op de buitenlucht aan te sluiten (wat in de praktijk veel gebeurt) staat overeenkomstig de NPR 7910-1 gelijk met “geen ventilatie”.
                                                                                                                                      

De NPR 7910-1 maakt onderscheid in vier verschillende ventilatie uitvoeringen, klik <hier> voor meer informatie.